Wat een drukpers, olieverf, fotografie en perspectief met AI gemeen hebben.

AI

Dit debat hebben we al meerdere keren gevoerd.

Gaat AI onze jobs overnemen?

AI is geen belofte meer, maar dagelijkse realiteit. Het schrijft, ontwerpt, structureert en genereert sneller dan we kunnen volgen. En dat roept vragen op. Over werk. Over creativiteit. Over waarde.

Die onrust is begrijpelijk.
Maar ze is niet nieuw.

Als we kijken naar de geschiedenis, zien we iets opvallends: elke grote technologische verschuiving werd eerst ervaren als een bedreiging, en pas later begrepen als een herdefiniëring.


De boekdrukkunst
Toen kopiëren goedkoop werd
(ca. 1450)

Voor de boekdrukkunst was schrijven geen creatief beroep, maar een reproductief ambacht. Monniken en kopiisten besteedden jaren aan het overschrijven van teksten. Nauwkeurigheid was belangrijker dan originaliteit. Fouten vermijden gold als hoogste vorm van kwaliteit.

Met de uitvinding van de drukpers veranderde dat fundamenteel. Tekst kon plots massaal worden vermenigvuldigd. Wat eeuwen schaars was geweest, werd overvloedig.

Dat veroorzaakte onrust. Men vreesde kwaliteitsverlies, intellectuele chaos en moreel verval. Sommigen waarschuwden dat te veel boeken het denken zouden verarmen.

De overvloed aan boeken is een verwarring voor de geest.
— 1565 - Conrad Gessner (Zwitserse geleerde)

Maar wat gebeurde er echt?

Omdat kopiëren geen kernvaardigheid meer was, ontstond ruimte voor iets nieuws. Auteurschap kreeg betekenis. Stijl, argumentatie en standpunt werden belangrijker dan foutloos overschrijven.

De drukpers vernietigde schrijven niet.
Ze liet evolueren wat schrijven betekende.

Vandaag zien we hetzelfde:
Nu genereren alledaags wordt, verschuift waarde van productie naar denken, structureren en positie innemen. Niet wie het meeste schrijft valt op, maar wie iets te zeggen heeft.


Lineair perspectief
Toen de wereld meetbaar werd
(15e eeuw)

Voor de renaissance was beeldtaal symbolisch. Afmetingen drukten betekenis uit, niet realiteit. Heiligen waren groter dan gewone mensen. Ruimte was hiërarchisch, niet meetkundig.

Met de ontwikkeling van lineair perspectief veranderde dat radicaal. Ruimte kon plots wiskundig correct worden afgebeeld. De wereld leek objectief, rationeel en meetbaar.

Dat werd niet zonder wantrouwen onthaald.

Critici vonden perspectief misleidend. Te technisch. Een illusie die kunst tot meetkunde herleidde. Sommigen vreesden dat verbeelding zou verdwijnen achter regels en lijnen.

Perspectief is het stuur en het roer van de schilderkunst.
— Leonardo da Vinci

Die uitspraak was dubbelzinnig bedoeld.

Wie perspectief beheerste, kon overtuigen. Wie het blind volgde, verloor betekenis.

Na verloop van tijd werd perspectief geen doel meer, maar een basisvaardigheid. Zodra iedereen het kon toepassen, verloor het zijn onderscheidende waarde. Kunst verschoof opnieuw, richting expressie, compositie en inhoud.

Zoals vandaag bij AI:
Een techniek die objectiviteit belooft, wordt eerst bewonderd en daarna genormaliseerd.


Olieverf
Toen techniek expressiever werd
(15e eeuw)

Voor olieverf domineerden tempera en fresco. Sneldrogend, weinig flexibel en nauwelijks corrigeerbaar. Het schilderproces was strak en onverbiddelijk.

Olieverf bracht iets fundamenteel nieuws: tijd. Gelaagdheid. Glans. Correctie.

Het resultaat was verbluffend realistisch. Zoveel zelfs dat sommigen het verdacht vonden. Critici vreesden dat technische perfectie inhoud zou verdringen. Dat schilderkunst zou verzanden in virtuositeit en effectbejag.

Jan van Eyck werd er zelfs van beschuldigd het ambacht “te hebben bedorven” door zijn technische verfijning.

Maar opnieuw gebeurde het omgekeerde.

Olieverf maakte schilderkunst niet oppervlakkiger, maar rijker. Ze gaf kunstenaars meer controle over nuance, emotie en sfeer. Techniek werd geen eindpunt, maar een middel.

Ook hier herkennen we het patroon:
Technische macht alleen creëert geen betekenis. Wat telt, is wat je ermee doet.


Fotografie
Toen de werkelijkheid zichzelf leek te maken
(19e eeuw)

Toen fotografie in de 19e eeuw werd uitgevonden, voelde schilderkunst zich rechtstreeks bedreigd. Vooral portretschilders verloren opdrachten. Een machine kon sneller en nauwkeuriger vastleggen wat kunstenaars jarenlang oefenden.

Critici noemden fotografie smalend mechanisch en zielloos. Ze zou geen interpretatie kennen, geen intentie, geen kunst zijn.

Fotografie is de toevlucht van alle mislukte schilders
— Charles Baudelaire

Na het zien van een daguerreotypie verklaarde een schilder zelfs:

“Vanaf vandaag is de schilderkunst dood.”

Dat einde kwam er niet.

Integendeel.
Doordat schilderkunst niet langer verplicht was om de werkelijkheid exact te reproduceren, ontstond ruimte voor iets anders. Impressionisten onderzochten licht en moment. Expressionisten emotie en innerlijke beleving. Abstracte kunstenaars lieten representatie los.

Fotografie vernietigde schilderkunst niet.
Ze bevrijdde haar van een oude verplichting.

En ironisch genoeg werd fotografie zelf een hulpmiddel voor schilders. Niet om te vervangen, maar om scherper te kiezen wat ze wél wilden tonen.

Net zoals AI vandaag:
Het neemt reproductie over en dwingt creativiteit om zich opnieuw te definiëren.


Het terugkerende patroon
En een hoopvolle blik op 2026

Wanneer we deze voorbeelden naast elkaar leggen, verschijnt een opvallend consistent patroon:

  • iets wat moeilijk was, wordt eenvoudig

  • iets wat schaars was, wordt overvloedig

  • techniek verliest haar onderscheidende kracht

  • betekenis wordt belangrijker

Drukpers. Perspectief. Olieverf. Fotografie.
En vandaag: AI.

AI is geen breuk met de geschiedenis van creativiteit.
Het is een volgende versnelling ervan.

Misschien is dat de hoopvolle gedachte waarmee we 2026 kunnen beginnen. Dat creativiteit niet verdwijnt wanneer tools krachtiger worden, maar gedwongen wordt om eerlijker te zijn over waar ze echt zit.

Niet in het maken alleen.
Maar in de keuzes die eraan voorafgaan.

 
Vorige
Vorige

Waarom je podcast beter wordt van video.